Algemeen
Daar we in Nederland slechts één oogst van zaaiuien per jaar hebben, is bewaring noodzakelijk om de afzet over een groot aantal maanden te kunnen spreiden. Om over een zo lang mogelijke periode een kwalitatief hoogwaardig product te kunnen afzetten, is een goede bewaring van groot belang. Tijdens de bewaring dient er dan ook naar gestreefd te worden om de kwalitatieve en kwantitatieve verliezen tot een minimum te beperken.
Naast een goed uitgangsproduct is het voor een succesvolle bewaring zeer belangrijk dat de uien direct na de oogst snel en goed worden gedroogd. Met name in de halzen en wortels zit aanvankelijk nog veel vocht. Na het drogen dienen de uien te worden teruggekoeld naar lagere temperaturen.
Bij lage bewaartemperaturen worden zowel de celdelingsactiviteit als ook de celstrekking van de scheut vertraagd waardoor de uien beter in ‘rust' worden gehouden.
Gekoelde bewaring is alleen mogelijk in goed uitgeruste en geïsoleerde bewaarplaatsen. Hierin kan het product losgestort worden opgeslagen waarbij via een luchtverdeelsysteem van boven- of ondergrondse kanalen de koellucht door het product kan worden gestuwd. Ook kan het product in m³-kisten worden opgeslagen waarbij middels een drukwand of via ruimtelijke beluchting wordt gekoeld.
De meeste uien in Nederland worden gekoeld met buitenlucht. Uien die voor late afzet lang moeten worden bewaard, worden vaak opgeslagen in bewaarplaatsen die zijn uitgerust met een mechanisch koelsysteem
